Toezicht op de AIVD en MIVD - proefschrift van Rowin Jansen
Een patchwork van toezicht
In september 2025 promoveerde NISA-lid Rowin Jansen aan de Radboud Universiteit met een proefschrift ‘Toezicht op de AIVD en MIVD’ .
In zijn uitgebreide proefschrift behandelt Jansen alle facetten van het toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Hij beschrijft (kort) de geschiedenis van de totstandkoming van wetgeving rond inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland, waarbij het (externe) toezicht sinds 2002 een grote rol is gaan spelen.
Jansen beschrijft dat daarbij een complex stelsel van toezicht is ontstaan. Naast de normale parlementaire controle controleert de zogenaamde ‘Commissie Stiekum’ namens het parlement de AIVD en MIVD. Extern houden vervolgens de Rekenkamer, de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD), de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) en de rechtbank Den Haag de diensten in het oog.
Noodzakelijk toezicht, alleen dat volgt al uit de ruime bevoegdheden en insteek (nationale veiligheid) van de diensten, maar ook toezicht dat zich in zeker na 2002 als een patchwork heeft ontwikkeld. Veel lapjes, waarbinnen het verband soms lastig te vinden is. Het huidige stelsel is een optelsom van ad hoc-keuzes, zo legt Jansen uit op de site van de Radboud Universiteit. ‘De afgelopen decennia zijn er steeds nieuwe lagen toezicht toegevoegd. Dat gebeurde niet altijd op doordachte wijze. Het moest vooral méér zijn. Dat vergroot het risico op overlap en hiaten.'
Verantwoordelijkheid
Rowin Jansen duikt diep in de wetsgeschiedenis, de praktijk, de Europese dimensie en hij spreekt belangrijke spelers in het veld. Zij waren opvallend openhartig zegt hij bij de Radboud Universiteit. ‘Als je als wetenschapper serieuze vragen stelt – hoe ze werken, wat ze mogen en waar de knelpunten zitten – dan krijg je ook serieuze antwoorden. Over institutionele vraagstukken en hypothetische scenario’s kan goed worden gesproken. Mag je een pacemaker hacken? Een informant laten infiltreren in een buitenlandse regering? En is zoiets meer een vraag voor onafhankelijke toezichthouders of toch eerder voor politici? Ik heb nooit het gevoel gehad dat er iets werd achtergehouden of verdraaid.’
Een belangrijk discussie die speelt betreft de rechtstatelijke en ministeriële verantwoordelijkheid. Vooral bij de werkwijze van de Toetsingscommissie Inzet Bevoeghdheiden (TIB) speelt deze discussie, die volgens sommigen te veel richting een doelmatigheidstoets ging. Maar ook bij eventueel bindend toezicht door de Commissie Toezicht Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) speelt de discussie over deze verantwoordelijkheid. De wetswijziging van 2017 was wat dit betreft volgens Jansen wel een duidelijke gamechanger. Hij schrijft daarover, in het kader van nieuwe op komst zijnde wijzigingen het volgende over in zijn proefschrift:
“De greep van politici is daarin (de ministeriële verantwoordelijkheid)– welbewust – verminderd ten faveure van die van niet rechtstreeks democratisch gelegitimeerde instituties. Begrijp mij niet verkeerd: verdragsrechtelijk staat daar niets aan in de weg en staatsrechtelijk is dat ook goed verdedigbaar. Dat is evenwel een vergaande zet. Terugdringen van de ministeriële zeggenschap betekent automatisch ook (nog) minder zeggenschap van het parlement”. Jansen vraagt zich af hoe dit debat de komende tijd gaat ontwikkelen. “Het ‘dynamisch toezicht’ wordt verder uitgerold in een nieuwe Wiv en het CTIVD-toezicht krijgt een bindend en real time-karakter, mogelijk zelfs over de volle linie van het bevoegdhedenarsenaal van de diensten. Niet uit te sluiten is dat de toezichthouders zich dan meer in detail met uitvoeringsaangelegenheden zullen (willen) bemoeien”.
Hij wijst daarbij op de huidige woelige tijden, waarin de diensten nadrukkelijker een geopolitieke rol spelen. “Die tijden lijken bovendien eerder om ministeriële en daarmee politieke verantwoordelijkheid te vragen dan om aanvullende verantwoordelijkheden voor onafhankelijke toezichthoudende instanties die zich primair zullen focussen op de juridische haken en ogen van inlichtingenoperaties”. Een discussie die na de vorming van een nieuwe regering zeker plaats zal gaan vinden.
Heldere visie ontbreekt
En daarmee is het belangrijkste discussiepunt voor dit moment geïdentificeerd. Op de site van de Radboud Universiteit legt Jansen uit dat dit mede komt doordat het huidige stelsel een optelsom is van ad hoc-keuzes. ‘De afgelopen decennia zijn er steeds nieuwe lagen toezicht toegevoegd. Dat gebeurde niet altijd op doordachte wijze. Het moest vooral méér zijn. Dat vergroot het risico op overlap en hiaten.'
'Ook ligt er veel nadruk op het toestemming vragen aan de TIB voor bevoegdheden inzetten. Dat hindert soms het opstarten van operaties. Vooraf kan vaak niet tot in detail worden uitgetekend hoe een operatie zal verlopen. Als die toestemming eenmaal verleend is, begint het CTIVD-toezicht te lopen, om ervoor te zorgen dat de diensten hun boekje niet te buiten gaan. Er is echter slechts beperkt toezicht aan de achterkant, als informatie de dienst verlaat en andere overheidsinstanties tot interventies en andere acties overgaan.’
Een oplossingsrichting
In al het opgelapte patchwork ziet Jansen ook patches voor een oplossing. Hij grijpt daarvoor terug naar het rapport van de Commissie Dessens. De visie in dat rapport kwam neer op het samenvoegen van het ex-ante-, ex nuc- en ex-post-toezicht en daar toont Jansen zich ook een voorstander van na zijn studie. In korte vorm bij de Radboud Universiteit. “Als je twee onafhankelijke toezichthouders hebt in een relatief klein domein, dan is het beter om die expertise te concentreren”, zegt hij. “Dat zorgt niet alleen voor pooling van personeel en voorkomt institutionele concurrentie, maar creëert ook een doorlopend toezichtproces waarbij het ‘stokje’ van controle soepel kan worden doorgegeven van de voorkant naar de achterkant van een operatie.” En in lange vorm in het slotbetoog van het proefschrift.
Het proefschrift is in zijn geheel te lezen bij de Radboud Universiteit
En in druk, bij Wolters Kluwer te bestellen


